>



Fenomenologie

Johann Wolfgang von Goethe ontwikkelde een manier van wetenschap beoefenen die van meet af aan logisch en kunstzinnig was. Steeds ging hij uit van de werkelijke waarnemingen en verbood zichzelf louter te theoretiseren.

Zijn gedachten vormde en nam hij waar uit de natuur. Hij kwam daarbij op heel andere opvattingen dan gangbaar was.

Een klassiek voorbeeld is zijn studie over het ontstaan van de kleuren. Door een herhaling van de proeven van Newton kwam hij tot de conclusie dat de kleuren ontstaan door de inwerking van licht en duisternis op elkaar. Blauw ontstaat doordat het donker sterker is dan het licht, geel doordat het licht sterker inwerkt op het donker. Groen doordat blauw en geel op elkaar inwerken.

De gebruikelijke opvatting is dat de kleuren enkel in het witte licht aanwezig zijn en daar door het prisma uit tevoorschijn gehaald worden. Deze bewering is echter geen directe waarneming maar een gedachte. En die gedachte is niet gestoeld op een waarneming.

Een verder onderzoek van Goethe betreft zijn studie van de  'metamorfose van de planten'. Ook daar kwam hij tot opzienbare resultaten.

De fenomenologie die Rudolf Steiner voortzette gaat ervan uit dat alle conclusies, eigen waarnemingen moeten zijn. Dat hierbij de mens met zijn eigen waarnemen en denken centraal staat. Statistieken, theoretiseren, fantasieŽn of algemeenheden maken daar geen deel van uit.

Alles is gebasseerd op de verbinding van de mens met zijn omgeving, de mens die oplossingen vindt voor eigen vraagstukken, die passend zijn voor hem in de specifieke situatie waarin hij zich bevindt. De mens zelf komt weer in het middelpunt te staan.